
“Zijn naam wordt steeds minder uitgesproken. Niet omdat ze hem vergeten zijn, maar omdat ze niet weten of het nog mag.”
Ze belt zelf. Precies een jaar na het overlijden van haar man vraagt ze of ik haar nog ken. Of ze nog eens langs mag komen. Om terug te kijken, zegt ze. Ze voegt er meteen aan toe dat er niets aan de hand is. Geen klacht, geen nieuwe uitslag, geen probleem dat opgelost moet worden. Ze belt juist omdat er niets meer is.
Natuurlijk weet ik wie ze is. Tijdens het behandeltraject zag ik haar vaak. We spraken over chemotherapie en immunotherapie die wel en niet aanslaan, over bijwerkingen, over scans die soms hoop geven en soms alles weer afpakken. Over de beperkte tijd, eerst voorzichtig, later steeds eerlijker. En over zijn dood, wanneer die onvermijdelijk dichterbij komt.
Nu zit ze weer tegenover me, in dezelfde spreekkamer, aan hetzelfde bureau. Maar alles is anders. “Het gaat eigenlijk best goed,” zegt ze. Ze kijkt me even aan, bijna alsof ze wil checken of dit wel het juiste antwoord is. Daarna vertelt ze. Niet over de medische beslissingen van toen. Niet over wat we misschien anders hadden kunnen doen. Ze praat over daarna. Over de tijd na zijn dood.
“Na zijn overlijden werd het niet stiller,” zegt ze, “maar leger.” Ze vraagt of ik dat verschil snap. Het traject zelf was intens, vertelt ze. Zwaar ook. Maar het was vol. Vol afspraken, gesprekken, mensen. Ze zegt dat ze toen nauwelijks tijd had om te voelen. Alles ging door.
Ze valt even stil. En dan zegt ze dat het pas daarna begint. Niet meteen. Later. In het begin is namelijk iedereen er. Met kaarten en bloemen. Met zinnen die goed bedoeld zijn. Mensen die langskomen, appjes sturen, vragen hoe het gaat. Maar na verloop van tijd wordt het minder. Mensen gaan weer verder. Hun leven neemt de draad weer op. “Ze denken dat het nu wel klaar is,” zegt ze. “Maar voor mij is het gewoon doorgegaan.”
Ze ziet nog veel mensen, is actief en doet overdag veel vrijwilligerswerk, maar merkt dat mensen haar niet meer naar hem vragen. Dat zijn naam steeds minder wordt uitgesproken. Niet omdat ze hem vergeten zijn, denkt ze. Meer omdat ze niet weten of het nog mag of kan. Daar is ze soms verdrietig en boos over. En over dat gevoel voelt ze zich weer schuldig. Omdat ze zoveel steun heeft gehad. Omdat ze sterk is gebleven. Omdat ze functioneert. “Maar ’s avonds,” zegt ze, “is er niemand meer die vraagt hoe mijn dag was.”
Ik begrijp haar verschil tussen stiller en leger. We praten er een half uur over tot ze ineens vrij plotseling opstaat om te gaan. Ze bedankt me nadrukkelijk. Dat ze hier nog even mocht zijn. Dat ze dit hardop mocht zeggen. “Dat had ik even nodig.”
Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. Ik knik.
Wanneer de deur achter haar dichtvalt, blijft het stil in de spreekkamer.

