
Hoeveel mensen zijn er buiten deze kamer voor wie dit overlijden ook ingrijpend is?
De vrouw zit op het bankje tegenover de lift, met haar jas nog aan. Als ik langsloop, staat ze op. “Is hij al overleden?”
Ik vraag bij wie ze hoort. Ze noemt zijn naam en daarna, alsof ze zich moet verantwoorden, die van zichzelf. “Ik ben zijn ex.”
Deze ochtend is haar voormalige man overleden. In zijn kamer zitten zijn huidige vrouw en zijn twee volwassen dochters. Haar dochters. Ik heb er zojuist de papieren ingevuld. Het is toch nog snel gegaan. “Uw dochters zijn bij hem”, zeg ik.
Ze knikt. Dat weet ze. Ze hebben haar een bericht gestuurd. Ze wil ook helemaal niet naar binnen, zegt ze meteen. Ze begrijpt dat zijn vrouw nu bij hem moet zijn. Daarom is ze hier gaan zitten, dan kunnen de meiden straks met haar mee. Misschien willen ze vanavond met haar eten.
Ik ga naast haar zitten. Ze zijn elf jaar gescheiden, vertelt ze. Daar is ze nooit op teruggekomen. Het is goed. Ze hebben elkaar de eerste jaren weinig gezien. “Het lukte allemaal gewoon niet meer goed.”
De laatste jaren is het beter gegaan tussen hen. Bij verjaardagen kunnen ze weer naast elkaar zitten. Toen hun jongste dochter afstudeerde, hebben ze met z’n allen gegeten. Zijn vrouw was er ook bij. Het was een leuke avond geworden, terwijl ze er vooraf tegenop had gezien.
Ze draait haar telefoon om in haar handen. “Ik snap daarom ook niet zo goed waarom ik zo huil.”
Ze hebben drieëntwintig jaar samengewoond. Ze kent hem nog van voordat hij een snor had, zegt ze. Die snor heeft hij op hun huwelijksreis laten staan en daarna nooit meer afgeschoren. Ze hadden toen weinig geld. Twee weken in een geleende tent, ergens in Frankrijk waar het bijna voortdurend regende.
Even glimlacht ze. Dan begint ze opnieuw te huilen. Ze buigt haar hoofd en zoekt in haar jaszak naar een zakdoek. “Het was de mooiste tijd van mijn leven.”
Een vriendin heeft gisteren gezegd dat ze er nu vooral voor de kinderen moet zijn. Voor hen zal het zwaar worden. En: “Gelukkig ben jij al lang bij hem weg”, had ze toegevoegd. Ze had maar niet geantwoord, alleen geknikt. “En natuurlijk héb ik ook mijn eigen leven nu.”
Ik merk hoeveel moeite ze doet om redelijk te blijven. Ze gunt zijn vrouw haar plaats, maakt zich zorgen om de dochters en begrijpt haar vriendin. Intussen zit ze hier op een bankje, met verdriet waarvoor ze zich kennelijk eerst moet verontschuldigen.
Ik vraag of ze hem nog wil zien. Ze kijkt naar de gang. “Mag dat dan?”
Ik kan het voor haar vragen. Ze denkt even na en knikt. “Graag,” zegt ze. “Als het niet vervelend is voor zijn vrouw. En de meiden moeten het ook willen.” Als ik opsta, vraagt ze of ik nog heel even kan wachten. Ze wil eerst haar gezicht afvegen.
In mijn werk richt ik me bij een overlijden meestal op de mensen rond het bed. Met hen voer ik de gesprekken, aan hen vraag ik hoe het gaat. Maar hoeveel mensen zijn er buiten die kamer voor wie dit overlijden ook ingrijpend is? Een vroegere geliefde, een vriend met wie het contact verwaterde, iemand van wie niemand weet hoe dichtbij die ooit stond.
Zij hebben geen vanzelfsprekende rol in het afscheid. Er wordt weinig van hen verwacht en misschien wordt hen ook weinig gevraagd. Deze vrouw is niet alleen de moeder die nu haar dochters komt ophalen, maar ook iemand die zelf een geliefde verliest.
Ik denk aan de manier waarop ze ‘mijn ex’ zegt. Zo’n kort woord voor iemand met wie je drieëntwintig jaar alles hebt gedeeld. Met wie je kinderen hebt gekregen, ruzie hebt gemaakt, boodschappen hebt gedaan. Iemand met wie je om ongetwijfeld goede redenen hebt gebroken. Maar ook iemand met wie je een belangrijke geschiedenis deelt. Die je toch nog iets had willen vragen, of vertellen. Of van wie je afscheid had willen nemen.
Ze stopt haar zakdoek terug in haar jas.“Hij was er ook bij toen mijn moeder stierf,” zegt ze. “Dat schiet me nu ineens te binnen. Hij heeft toen de hele nacht naast me gezeten en bleef me vasthouden.”

