
Hij deelde niet mijn vroegste vroeger, maar wel mijn diepste diepten
Het staat er heel symbolisch bij, op mijn keukentafel. Onze handen in gips. De zondag voor hij stierf hebben we die gemaakt, op initiatief van onze lieve nicht. Ze had het pakket meegenomen en hielp ons stapsgewijs door het proces heen. Makkelijk was dat niet: Bert bewoog niet meer zo goed. De hand in dat emmertje was niet comfortabel. Het was ook zo’n grote hand, in dat kleine emmertje. Nicht maakte het voor ons af: van siliconen naar gips, de rare randjes eraf, tot het klaar was en ze het aan mij kon geven. Ik ben er bijzonder blij mee. Het laat zien hoe onlosmakelijk wij verbonden zijn. Dat gaat nooit meer over.
En toch… hij is er zelf niet meer.
Naast onze handen staat een kleine schuilplaats. Ik heb hem gemaakt op een textielretraite in Frankrijk, afgelopen zomer. Pitriet, garen, raffia, zelfgetwijnd garen, en onderdak steentjes. Thuis heb ik er een echte schuilplaats van gemaakt door de wand erin te maken. Daarvoor gebruikte ik mooi geschept papier dat ik met olie inwreef. Het geheel staat vast op een bodem van klei met een soort mosgrond.
Onze handen, ik voel het bijna nog, in dat emmertje. En nu raakt hij mij nooit meer aan. Dat is zo’n vreselijk gemis. Ik kon altijd bij hem schuilen. Ik verdween in die lange armen. Hij was altijd bereid tot een knuffel en voelde zich heel stoer als ik, sterke vrouw, hem duidelijk broodnodig had.
Vier lagen eenzaamheid
Na het overlijden van mijn partner merkte ik dat de eenzaamheid die met rouw gepaard gaat dieper doorwerkt dan ik tevoren kon bedenken – er zijn verschillende lagen.
Veel mensen vinden het moeilijk om alleen te zijn: de eerste laag. Ze kunnen bijna niet thuis zijn. Thuis, waar het gemis zo zichtbaar is. Alles zo aan je lief herinnert. Dan maar naar buiten, wandelen, fietsen, aanmelden bij een vereniging of club, kopjes koffie bij de buren of elke week naar de kinderen. Maar eenmaal weer thuis, is er opnieuw die diepe eenzaamheid. Ik heb van deze laag niet veel last. Ik kan gerust alleen zijn, dat vind ik ook prettig. De stilte is voor mij een welkome gast, altijd al geweest. Ik verveel me eigenlijk zelden.
De tweede laag is denk ik die van het voortaan alles alleen moeten regelen. Misschien kun je dat prima, maar leuk is anders. Je neemt taken op je die de ander altijd deed. De vuilnis buiten, naar de stort, stofzuigen, strijken, boodschappen doen, administratie regelen. Dan merk je pas hoeveel je partner deed. En je kunt niet alles zelf: dus moet je ook nog hulp vragen. De praktische zaken als een waslijn spannen; ik kan het niet. Gelukkig heb ik de liefste buren van de wereld, die met liefde én een boormachine de klus klaren. Ik zet er jaarlijks in januari een supergezellige dankjewel-met-snert tegenover, waarbij we elkaar dan gelijk veul heil en zeeg’n wensen.
Er is een derde laag van een rare soort eenzaamheid: waar ik waarneem dat familie en vrienden zelf ook hun diepe verdriet hebben om Bert. Ze zien mij, en zien Bert niet. Dat doet zeer bij hen, ik zie het aan ze. Soms kun je dan gewoon zeggen, wat missen we hem hè. Dat vind ik fijn, dan schuilen we bij elkaar. Dat lukt niet altijd. Niet iedereen wil het erover hebben. Misschien uit angst dat ik ga huilen, of zijzelf. En dat maakt dat ik mij automatisch inhoud. Ik noem het niet meer uit mijzelf. Dat is een pijnlijke eenzaamheid.
Laag nummer vier… waar ik echt veel last van heb: ik mis het partnerschap. Dat sparren samen: mijn overdenken, zijn dingen uit de weg gaan, samen ontdekken waarom de wereld volgens ons zo in elkaar zit. En oh… onze reizen naar Amerika… hij en ik in een blik. Niks mooier dan dat. Nooit meer. Die intelligente humor die hij had. Zijn volledig accepteren van wie ik was, en vice versa. Onvoorwaardelijke liefde. Daar zit mijn eenzaamheid.
Dat is een diepe vorm van eenzaamheid. Ik heb een groot netwerk. Fijne familie, lieve buren, goeie vrienden. Maar het is een beetje zoals dat liedje van Karin Bloemen: ‘De dag waarop je moeder sterft’: iemand, die je vroegste vroeger met je deelde. Hij deelde niet mijn vroegste vroeger. Daar heb ik mijn moeder, mijn zus en mijn broer gelukkig nog voor. Hij deelde wel mijn diepste diepten met mij. En hoe. Dat kan geen ander voor mij zijn. Hier moet ik het mee doen.

Prachtig geschreven, Hilda, en zo warm & liefdevol! En ookal heb ik verdriet zoals het jouwe zelf nog niet meegemaakt, weet ik dat het zal komen. Het is goed er over te lezen, te leren en te horen, om voorbereid te zij, zo ver dat mogelijk is!
Dank je xx
Ook als je je partner niet ‘verloren’ hebt aan een ziekte/overlijden maar bewust hebt gekozen om te scheiden. Rouw je ook (bij leven) om het gemis van een partner/echtgenoot èn het gezin wat je dan mist.
Ria
Dank je wel voor dit verhaal.
Het geeft woorden aan wat ik maar niet kan uitleggen aan mensen.
Ik verloor mijn man nu bijna een jaar geleden. Onverwacht.
Hij kende mij.
En wie ben ik nu?
Dank je wel.
Mooie dag
Dank voor je mooie column Hilda. In april vorig jaar is mijn partner, nog net 66 jaar, overleden. nog enigzins onverwacht na een heftig ziekbed.
Ik herken zo de lagen van rouw die je beschrijft: nooit gedacht dat ik de stilte fijn zou vinden, maar o wat een gemis om gewoon maar samen wat te kunnen napraten, overdenken, overleggen, zijn hele eigen humor en je liefde te kunnen geven en delen.
En zoals vanochtend mijn schilderdocent aangaf: wat zie ik je rouwen. Een erkenning voor mijn proces, terwijl het best aardig met me gaat. We spraken over hetgeen jij ook enigszins aangeeft Hilda: subtiel gevoel dat je in gezelschap ” iets” hebt wat de ander niet heeft, onzichtbaar, voor je zelf voelbaar, dit als een soort gevoel van eenzaamheid.