
Rouw is de liefde die niet meer weet waarheen te gaan, en daarom in jou blijft wonen
Rouw wordt vaak beschreven als iets wat moet slijten, zakken, een plek moet krijgen, oplossen zelfs. Alsof het een blok ijs is dat je alleen maar lang genoeg op tafel hoeft te laten liggen en dat uiteindelijk vanzelf verdwijnt. Maar wie rouwt, weet dat dit niet klopt. Rouw lost niet op. Rouw verandert wel van vorm. Misschien is rouw niet zozeer het gat dat iemand achterlaat, maar meer de plek die blijft bestaan.
Toen hij er nog was, vulde hij ruimte in je leven: stoel aan tafel, stem in de gang, geur in het kussen. Toen zij er nog was, vulde zij de toekomst: plannen die nooit uitgesproken hoefden te worden omdat ze zo vanzelfsprekend waren. En dan is er ineens die abrupte stilte. De plannen zijn er niet meer. De stoel wordt niet meer meegeschoven. De ruimte wordt niet kleiner – jij wordt groter om eromheen te kunnen lopen.
Rouw is geen ziekte. Het is ook geen taak. Het is wel een relatie die van vorm verandert. Filosofen noemen het soms de “afwezig aanwezige”. Wat weg is, dringt zich toch op. En dan vaak in kleine dingen op onverwachte momenten: een liedje in de supermarkt, een zinnetje dat je jezelf hoort zeggen en waarvan je schrikt omdat het precies zijn of haar zinnetje is. Een lege plek in het bed die nog altijd bezet lijkt. Rouw is een bewijs dat de relatie niet wordt beëindigd door de dood, maar anders wordt opgeschreven. Jij blijft het gesprek voeren, alleen is het antwoord anders geworden.
We hebben de neiging rouw te willen oplossen. We zeggen: “Je moet het een plek geven.” Maar misschien is het omgekeerd. Misschien geeft rouw ons een plek. Het herinnert ons eraan wie wij waren in relatie tot de ander. Het markeert wat er toe deed. Ik vergelijk het wel eens met een rivierbedding die zichtbaar blijft, ook als het water zakt. Er is nog iets paradoxaals aan rouw: rouw toont ons zowel de kwetsbaarheid als de diepte van liefde. Je rouwt niet om alles. Je rouwt om dat wat van betekenis was. Rouw is dus niet alleen pijn, het is ook een compliment. Een stille onderscheiding aan degene die gemist wordt: jij was het waard om van te houden.
Misschien hoeven we rouw daarom niet te genezen of te overwinnen. Misschien hoeven we haar alleen te leren dragen, als een litteken dat soms trekt in koud weer. Je wordt er niet minder mens van. Integendeel, je wordt mens mét verleden. Er bestaat een hardnekkige verwachting dat rouw rechtlijnig is. Eerst schrik, dan verdriet, dan verwerking, dan “door”. Maar rouw houdt zich nooit aan schema’s. Ze loopt in cirkels of in welk figuur je je ook maar kan voorstellen. Rouw doet aan tijdreizen. Je kunt lachen op maandagochtend en op donderdag in de auto ineens huilen om een sleutelbos waar een naam aan hangt. Dat betekent niet dat het misgaat. Het betekent dat je leeft met iets dat groter is dan een kalender.
Misschien is dát de filosofische waarheid van rouw zoals elders ook benoemd: het is liefde die niet meer weet waarheen te gaan, en daarom in jou blijft wonen. En er komt geen moment waarop het “klaar” is. Er komt wel een moment waarop je merkt dat je omkijkt zonder te breken. Dat je kunt zeggen: het doet pijn, maar het draagt ook. Dat de herinnering je niet alleen neersabelt, maar je soms ook een beetje optilt.
Rouw is de prijs van verbondenheid. En als dat waar is, dan is rouw niet alleen donker. Dan is rouw ook een bewijs. Dat je hebt liefgehad. Dat je nog altijd liefhebt. En dat je dat ook zal blijven doen. Dat iemand die er niet meer is, toch een plek heeft die nooit meer verdwijnt. Niet omdat jij haar vasthoudt. Maar omdat liefde dat nu eenmaal doet: blijven.

