
Beschermen tegen de dood kan niet, beschermen tegen verwarring wel
Wie met kinderen over de dood praat, merkt al snel dat zij iets kunnen waar volwassenen veel meer moeite mee hebben: ze stellen de vraag gewoon, zonder omwegen. Als je ouder wordt, is het je aangeleerd manieren te vinden om eromheen te praten.
De laatste maanden sprak ik met veel kinderen over onderwerp in de aanloop naar de publicatie van het boek Game Over, en juist in die gesprekken viel me op hoe vanzelfsprekend zij vragen stellen over iets waar wij vaak omheen bewegen, alsof het antwoord er gewoon is en alleen nog uitgesproken hoeft te worden.Want er is iets wat kinderen doen waar wij als volwassenen ongemakkelijk van worden zodra het over dit beladen onderwerp gaat: ze stellen vragen over de dood alsof het de normaalste zaak van de wereld is, zonder voorzichtigheid, en vaak op een moment waarop je het zelf nog niet eens had durven benoemen.
“Ga jij ook dood?”
“Wanneer dan?”
“Doet dat pijn?”
Ik merk dat ook ik dan even moest schakelen, niet omdat ik het antwoord niet wist, maar omdat ik voelde hoe groot die vraag eigenlijk is en hoezeer wij als volwassenen hebben geleerd om eromheen te bewegen. Ze kijken je daarbij aan met een openheid die je bij volwassenen niet snel ziet, alsof het antwoord er gewoon is en alleen nog uitgesproken hoeft te worden.
De neiging die ik vervolgens ook bij mezelf herken, is bijna reflexmatig: verzachten, verpakken, kleiner maken door het mooier te maken. Ook ik heb in mijn leven vaak gezegd dat iemand “is ingeslapen” of “een sterretje is geworden”, terwijl ik ergens ook wel wist dat ik daarmee niet zozeer beschermde, maar vooral iets ongrijpbaars creëerde.
Want kinderen horen niet alleen wat we zeggen, ze voelen ook wat we niet zeggen, en juist die spanning tussen woorden en werkelijkheid maakt het verwarrend. In het ziekenhuis zie ik regelmatig dat ouders of grootouders na een gesprek even blijven hangen en zacht zeggen dat we het maar niet te concreet moeten maken voor de kinderen, omdat ze nog zo jong zijn en beschermd moeten worden. En elke keer snap ik dat, omdat ik zelf ook die neiging ken om het scherpe randje eraf te halen, maar tegelijk wringt het.
Want beschermen tegen de dood kan niet. Beschermen tegen verwarring misschien wel. Kinderen zijn zelden bang voor de waarheid zelf, maar wel voor wat ze niet begrijpen, en als wij geen woorden geven aan wat er gebeurt, gaan ze het zelf invullen, vaak op manieren die angstiger zijn dan de werkelijkheid, omdat kinderen geneigd zijn zichzelf een rol te geven in wat er misgaat, alsof hun gedachten of gedrag er iets mee te maken hebben. De afgelopen honderd jaar is er iets opmerkelijks gebeurd: we hebben de dood compleet uit ons dagelijks leven verbannen.Game over?
Ineens is het zover: iemand is dood. Echt dood. De laatste zucht is geslaakt. Het hart klopt niet meer. Hoe de aanloop ook gaat (ziek, ongeluk, gewoon heel oud), er is altijd dat laatste moment waarin de motor van de stervende definitief stilvalt. Geen oefenrondje, geen verkenningstocht, geen weg terug meer. Game over zou je kunnen zeggen.
De mensen om iemand heen schrikken als het daadwerkelijk zover is, ook als de overledene al een tijd ziek was of stokoud is. Dat is begrijpelijk. Iedereen weet dat de dood bij het leven hoort, net als de geboorte. Maar om echt mee te maken dat iemand om wie je geeft de overstap maakt van levend naar dood, is en blijft een indrukwekkende gebeurtenis. Het kan een heleboel emoties losmaken, waar we ons niet echt op kunnen voorbereiden.
Er komen ook vragen bovendrijven als iemand doodgaat, zowel bij kinderen als bij volwassenen. Het uitspreken van die vragen is niet zo makkelijk, omdat er al zoveel aan de hand is. Meestal is het een drukte van belang om de dode heen. Tegelijk wordt er veel gefluisterd en hangt er een stilte. (Niet altijd natuurlijk, er zijn ook bevolkingsgroepen, vriendengroepen en families die in deze periode juist muziek maken, zingen en dansen).
Toch is het belangrijk om alle vragen die bij je opkomen gewoon te stellen. We schreven al eerder dat wat ons betreft geen enkele vraag raar is. Dat geldt eigenlijk ook voor het moment waarop je ze stelt. Dus als je midden in de nacht wakker wordt en niet meer in slaap kunt komen omdat je maar blijft nadenken over wat er nu gaat gebeuren met iemand die net is overleden, mag je best even je ouders wakker maken, of iemand anders bij je in huis. Als zij dan zeggen dat ze het ook niet weten, is dat oké. Het onbekende hoort ook bij de dood.
Fragment uit het boek Game Over van Sander de Hosson en Els Quaegebeur met illustraties van Marianne van der Walle
Waar mensen vroeger thuis stierven en de dood onderdeel was van het leven, hebben we hem verplaatst naar ziekenhuizen, verpleeghuizen en hospices. De dood verdween uit onze huizen, uit onze taal, uit onze rituelen. Hij werd een medisch proces in plaats van een maatschappelijk proces. Door hem minder zichtbaar te maken, werd hij ook steeds minder bespreekbaar. Dat voelde lange tijd als vooruitgang, maar de maakbaarheidsgedachte heeft ons ook iets essentieels afgenomen: het vermogen om woorden te geven aan het einde van het leven.
En ik merk dat ook bij mezelf, soms nog steeds, hoe makkelijk het is om te wachten met dat gesprek, om het nog even uit te stellen, om te hopen dat iemand anders het zal doen. Maar uitstellen heeft een prijs. Want kinderen hebben geen behoefte aan perfecte antwoorden of troostende metaforen. Ze willen weten of hun moeder er straks nog is, wie er voor hen zorgt en of iemand van hen blijft houden. Dat zijn geen filosofische vragen, maar vragen over veiligheid, en juist daar moeten we eerlijk in zijn.
Gelukkig verandert er iets. Ik zie meer openheid, meer bereidheid om het gesprek wél te voeren, en ook op tijd. Niet omdat de dood minder moeilijk is geworden, maar omdat we langzaam beginnen te begrijpen dat het vermijden ervan uiteindelijk meer schade doet dan het erkennen. Een dood waar je niet over praat verdwijnt immers niet, maar wordt groter en ongrijpbaarder. Openheid over de dood is daarom geen trend, maar een noodzakelijke correctie, een beweging terug naar iets wat we eigenlijk altijd al wisten: dat eerlijkheid, ook als die schuurt, uiteindelijk veiliger is dan stilte.
Kinderen vragen niet om een wereld zonder dood, maar om een wereld waarin hun vragen serieus worden genomen, waarin iemand blijft zitten als het moeilijk wordt en waarin een antwoord niet perfect hoeft te zijn, maar wel waarachtig.
Vragen van kinderen die Sander zoal tegenkomt:
Over waar iemand is als hij dood is:
“Als oma in de hemel is, waarom ligt ze dan nog op de begraafplaats?”
“Als iemand dood is, waar is hij dan eigenlijk precies?”
“Als iemand een ster wordt, welke ster is dat dan?”
“Waar ga je heen als je dood gaat” (in vele varianten)
“Als opa naar een wolkje gaat maar hij valt eraf, gaat hij dan nog een keer dood?”Over het lichaam en wat er gebeurt:
“Wanneer weet je dat iemand echt dood is en niet gewoon heel diep slaapt?”
“Hoe weet je dat je niet weer wakker wordt?”
“Kun je ook een beetje dood zijn?”
“Waarom ademt iemand niet meer als hij dood is?”
“Waarom is iemand koud als hij dood is?”
“Waarom deed de mond van oma zo raar toen ze dood was? Hij bleef open en ze kregen hem niet dicht.”Over voelen en merken:
“Als iemand doodgaat in zijn slaap, merkt hij dat dan?”
“Kan iemand die dood is nog lachen?”
“Als je dood bent, kun je dan nog ergens bang voor zijn?”
“Doe het verbranden (in een crematorium, red) ook nog pijn?”
“Doet doodgaan ook pijn?”Over denken en herinneringen:
“Als je dood bent, waar gaan je gedachten dan heen?”Over liefde en relaties:
“Als mama straks doodgaat, weet ze dan nog dat ze mijn mama is?”
“Als je dood bent, kun je dan nog van iemand houden?”
“Kan iemand die dood is nog trots zijn op mij?”
“Als je dood bent, kun je dan nog horen dat iemand van je houdt?”Over wat er met de eigen wereld gebeurt:
“Als papa doodgaat, wie brengt mij dan naar voetbal?”
“Waarom blijft iemands kamer bestaan als die persoon dood is?”Over begrafenis en rituelen:
“Waarom stoppen ze iemand in een kist?”
“Is het donker in een graf?”Over stem en aanwezigheid:
“Als iemand dood is, waar blijft dan zijn stem?”
“Waarom hoor ik iemand soms nog in mijn hoofd?”Over tijd en einde:
“Hoe lang duurt dood zijn eigenlijk?”
“Als je dood bent, kun je dan nog wachten op iemand?”Over hun eigen dood:
“Ga ik ook dood?”
“Kan een kind ook doodgaan?”De meest existentiële vragen:
“Als iemand dood is, waarom voelt het dan nog steeds alsof hij er een beetje is?”
“Als iemand doodgaat, waarom houden we dan niet op met van hem te houden?”
“Als iemand dood is, waar blijft dan de liefde?”

