
Soms wacht verdriet met praten tot er taal bij komt. Tot een kind ouder wordt en opeens begrijpt wat het eerder alleen maar voelde.
“Mag ik nu weer spelen?”
Hij vroeg het nog geen tien minuten nadat hij had gehoord dat zijn opa dood was. Zijn moeder vertelde maanden later tegen mij dat ze daarvan was geschrokken. Niet omdat ze boos op hem was, en ook niet omdat ze vond dat hij anders had moeten reageren, maar omdat hij daar stond met één voet al richting de woonkamer, waar de LEGO nog op de vloer lag. Een half gebouwde brandweerkazerne misschien, of een ruimteschip. Dat wist ze niet meer precies. Wat ze wel nog wist, waren haar eigen tranen en zijn droge ogen.
“Had hij het wel begrepen?” vroeg ze.
Ik denk dat hij het begreep, alleen niet zoals wij. Wij volwassenen denken vaak dat verdriet herkenbaar moet zijn. Dat iemand stil wordt, gaat zitten, de koffie koud laat worden en kijkt naar een lege stoel, naar handen in een schoot, naar niets. Maar kinderen rouwen zelden zoals volwassenen denken dat rouw eruit hoort te zien, als er al zoiets bestaat.
Verdriet in kleine stootjes
Kinderen rouwen in stukjes. In een vraag, een boterham, een traan, een driftbui om een verkeerde beker, een tekening, een nacht waarin slapen niet lukt en een volgende ochtend waarop er toch gewoon weer gym is. Dat maakt het voor volwassenen soms ingewikkeld, misschien zelfs pijnlijk. Want het kind rent door terwijl jouw wereld stilstaat. Het kind vraagt om limonade terwijl jij net hebt verteld dat iemand nooit meer terugkomt. En dan kan er, zomaar, ineens wel een echte vraag komen.
“Kan opa het koud hebben onder de grond?”
“Ga jij ook dood?”
“Hoort oma ons nog?”
En dan, zonder overgang:
“Wat eten we vanavond?”
Dat is geen onverschilligheid. Dat is kinderrouw.
Verdriet komt bij kinderen vaak naar binnen in kleine stootjes. Niet alles tegelijk en niet in de volle omvang, want daar zijn ze nog te jong voor. Hun hoofd, hun lijf en hun taal kunnen dat vaak nog niet dragen. Dus gaan ze spelen. Niet om weg te lopen van het verdriet, maar om even adem te halen. Spel is soms de enige plek waar een kind even rust vindt van wat te groot is.
Wij weten wat dood betekent. Wij kennen de harde rand van het woord en wij weten iets van ‘nooit meer’. Nooit meer bellen. Nooit meer die stem. Nooit meer die jas aan de kapstok. Nooit meer pannenkoeken op woensdagmiddag. Een kind leert dat langzaam, en steeds opnieuw. Als opa er niet is op de verjaardag. Als er geen kaartje komt. Als iemand op school vraagt wie er komt kijken bij de musical. Als een vriendje zegt: “Maar jouw vader is toch dood?”
Dan komt het verlies weer binnen. Opnieuw, soms jaren later, op een andere leeftijd en met andere vragen. Daarom is kinderrouw niet voorbij als het stil is. Soms wacht verdriet met praten tot er taal bij komt. Tot een kind ouder wordt en opeens begrijpt wat het eerder alleen maar voelde. Als volwassenen kunnen we ons daar machteloos bij voelen. Het kan twijfel brengen. Moet hij mee naar de uitvaart? Mag ze het lichaam zien? Moeten we alles vertellen, of moeten we haar beschermen?
Wees eerlijk en blijf nabij
Beschermen. Dat woord ken ik goed. Het is misschien wel het meest menselijke wat er is. Je wilt een kind weghouden bij pijn, bij angst en bij beelden die te groot lijken. Het liefst zou je je handen om dat kleine hoofd leggen en zeggen: dit hoeft nog niet.
Maar kinderen merken veel meer dan we denken. Ze horen de stemmen op de gang. Ze zien rode ogen. Ze voelen dat er zachter wordt gepraat zodra zij binnenkomen. Ze merken dat de wereld anders klinkt, ook als niemand uitlegt waarom. En als volwassenen geen woorden geven, maken kinderen hun eigen verhaal. Dat verhaal is soms groter dan de werkelijkheid, of enger, of schuldiger. Daarom hebben kinderen woorden nodig die kloppen. Niet hard, niet achteloos, maar wel eerlijk.
Dood is dood. Niet slapen, niet op reis, niet weggegaan. Want als dood slapen wordt, kan slapen gevaarlijk worden. Als dood op reis gaan wordt, kan iemand terugkomen. Eerlijkheid hoeft niet groot te zijn. Eerlijkheid mag klein zijn.
“Opa is dood. Zijn lichaam doet het niet meer. Hij ademt niet meer. Hij praat niet meer. Hij eet niet meer. Hij poept niet meer. Hij voelt ook geen pijn meer.”
Daarna kan er stilte komen. Of een vraag. Of LEGO. En misschien is juist dat het moment waarop wij moeten blijven zitten. Niet erachteraan rennen, niet het kind tegenhouden, niet het verdriet afdwingen en niet zeggen: besef je wel wat er gebeurd is? Maar wel beschikbaar blijven.
“Ja, ga maar spelen. Ik ben hier.”
Dat is wat kinderen misschien het meest nodig hebben als iemand doodgaat. Niet dat wij hun verdriet oplossen. Niet dat wij precies weten wanneer ze moeten huilen. Niet dat wij de dood kleiner maken dan hij is. Maar dat we in de buurt blijven. Ook als ze spelen. Ook als ze zwijgen. Als ze maanden later ineens vragen hoe opa eruitzag in de kist. Als ze jaren later pas begrijpen wat ‘nooit meer’ betekent.
“Mag ik nu weer spelen?” vroeg hij.
Ja, natuurlijk.
Ga maar.
En kom maar terug als er weer een vraag komt.

