
Rouw vindt soms taal niet in woorden, maar in beelden.
Best regelmatig hoor ik verhalen over een sterfbed, of over iemand die overleden is, die heel voorzichtig worden verteld. Alsof het eigenlijk niet mag. “Ik weet niet of u dit gek vindt, dokter, maar vannacht rook ik ineens zijn aftershave.” Of: “Precies op het moment dat ze overleed, ging thuis de klok stilstaan.” Of: “Ik voelde haar naast me zitten. Heel even maar. Alsof ze wilde zeggen dat het goed was.”
Meestal vertellen partners over dit soort tekens van overledenen. Soms kinderen of ouders. Of hoor ik erover van verpleegkundigen die families troffen bij wie iets bijzonders was gebeurd. Het zijn verhalen, ervaringen, gevoelens of gebeurtenissen die zich moeilijk laten verklaren. Over een vogel die steeds terugkomt. Een liedje dat precies op een bepaald moment of op een bijzondere datum op de radio klinkt. Ja, ook over die lamp die ineens knippert. Over een droom die echter voelt dan andere dromen. Over een aanwezigheid aan het bed, vlak voor of vlak na het sterven.
Mensen vertellen over energie. Over een ervaren verandering in de kamer. Over rust die ineens neerdaalt. Of juist over spanning die pas helemaal oplost als iemand is overleden. En bijna altijd worden dit soort ervaringen met dezelfde aarzeling verteld.
“U zult wel denken…”
Maar dat denk ik niet. Ik denk niet: wat vreemd. Ik denk vooral: wat bijzonder dat iemand dit met mij deelt. Want in de buurt van sterven verandert er iets. Niet alleen lichamelijk, maar ook in de manier waarop mensen kijken, voelen en betekenis geven. De tijd wordt anders. De ruimte wordt anders. Wat belangrijk is, wordt scherper. Wat niet te verklaren is, kan toch heel werkelijk voelen.
Als arts ben ik opgeleid om te onderzoeken, te verklaren en te begrijpen. Om zuurstofwaarden te meten. Ademhaling te beoordelen. Medicatie aan te passen. Symptomen te behandelen. Maar aan een sterfbed passen geen meetwaarden. Niet alles wat mensen ervaren, laat zich wegen of scannen. Laat staan dat het te bewijzen is. Gelukkig hoeft dat ook niet altijd.
Voor de een is een teken van een overledene een herinnering die zich opdringt. Voor de ander is het toeval. Voor weer een ander is het troost. Een vorm van nabijheid. Een manier waarop liefde nog even voelbaar wordt, juist op het moment dat het lichaam er niet meer is.
Rouw zoekt taal. En soms vindt rouw die taal niet in woorden, maar in beelden. In geuren. In dromen. In kleine gebeurtenissen die ineens een enorme betekenis krijgen. Dat roodborstje op de tuintafel. Een telefoon die ineens oplicht. Een wolk in de vorm van iets herkenbaars. Een liedje uit vroeger dagen. Dat liedje op precies dát moment.
Wie rouwt, leeft vaak in twee werelden tegelijk. De wereld waarin iemand er niet meer is. En de wereld waarin diegene overal nog is. Iemand is er ineens door de jas aan de kapstok. Door dat lege kopje in de kast. Zijn kopje. In de stilte aan tafel. In een plotselinge gedachte. In een teken, misschien.
Ik heb afgeleerd daar te snel iets van te vinden. Niet te zeggen: dat kan niet. Maar ook niet: dat is zeker waar. Vaak is luisteren genoeg. “Wat betekende dat voor u?” Dat is meestal de belangrijkste vraag. Want of een teken nu van buiten komt, van binnen, uit herinnering, uit verlangen, uit liefde of uit iets wat wij niet kunnen begrijpen: als het troost geeft, verdient het ruimte.
Aan een sterfbed gebeuren soms dingen die mensen hun leven lang bijblijven. Een laatste blik. Haar hand die nog één keer knijpt. Zijn ademhaling die pas verandert als iedereen er is. Zijn dood, juist op het moment dat iedereen even weg is. Ook daar kunnen we veel over verklaren. Maar zeker niet alles. Misschien is dat precies waarom deze verhalen blijven bestaan. Omdat ze iets vertellen over wat sterven óók is.
Niet alleen het einde van een lichaam, maar ook een moment waarop liefde, afscheid, hoop, angst, herinnering en betekenis dicht op elkaar komen te liggen. Soms zo dicht, dat mensen iets ervaren wat ze niet goed kunnen uitleggen. En er is niemand die dat kleiner hoeft te maken.
Misschien is dat wel het belangrijkste: dat we zulke verhalen niet meteen hoeven te verklaren, te corrigeren, te bewijzen of te ontkrachten. Soms is een teken geen bewijs, maar troost. Geen antwoord, maar nabijheid. Een manier waarop liefde nog even een vorm vindt.
