
Voor haar was het een dag waarin haar leven in tweeën brak. Voor mij een dienst.
‘Dokter De Hosson?’
Ik draai me om. Ik sta midden in de Albert Heijn. Bij de kwark.
Een vrouw kijkt me aan alsof ze me goed kent. Ik kijk terug en probeer ondertussen razendsnel mijn geheugen af te zoeken. Ik ken haar. Dat weet ik meteen. Maar waarvan?
Van het ziekenhuis, dat is wel duidelijk. Maar verder? Van de polikliniek? Van een opname? Is ze zelf patiënt geweest? Was het haar moeder? Haar vader?
Ze ziet mijn aarzeling.
‘Mijn man lag vorig jaar bij u op de afdeling.’
Dan helpt ze me met zijn naam. En ineens is hij er weer. Niet helemaal. In flarden. Een kamer achter op de gang. Een man die snel achteruitging. Veel familie. Een stoel dicht naast het bed. Gesprekken waarin steeds minder te bespreken viel omdat iedereen eigenlijk al wist waar het naartoe zou gaan. Langzaam komt het terug.
‘Natuurlijk’, zeg ik.
Ik hoop dat mijn gezicht niet verraadt dat ik een paar seconden nodig had. Zij heeft die seconden waarschijnlijk gezien. We praten even. Haar man overleed die middag in het ziekenhuis.
‘U bent toen nog een keer bij ons geweest’, zegt ze.
Ik probeer het moment terug te halen. Ze vertelt dat ik vroeg op de ochtend binnenkwam. Dat ik een stoel aanschoof. Dat ik zei dat ze niet bang hoefden te zijn om ons te roepen. Dat ik later nog eens terugkwam zonder dat iemand daarom had gevraagd. Ik herinner me er nauwelijks iets van.
Juist dat verschil treft me. Voor haar is die dag in vele details opgeslagen. Wie er naast het bed zat. Wat haar man nog zei. Hoe zijn ademhaling veranderde. Wie er binnenkwam. En kennelijk ook wat ik deed.
Voor mij was het een dienst. Een drukke dienst waarschijnlijk. Misschien waren er diezelfde dag nog drie andere patiënten over wie ik me zorgen maakte. Telefoontjes. Uitslagen. Een opname vanaf de Spoedeisende Hulp. Iemand met pijn. Iemand die benauwd was. Ik weet het niet meer.
Voor haar was het een dag waarin haar leven in tweeën brak. Voor en na.
Dat verschil blijft me bezighouden.
In het ziekenhuis bewegen we voortdurend door de belangrijkste dagen uit de levens van andere mensen. Een aaneenschakeling van life events. De dag waarop iemand hoort dat hij kanker heeft. De dag waarop behandeling niet meer mogelijk blijkt. De laatste verjaardag. Het laatste gesprek. De nacht waarin iemand sterft.
Ik vertel jonge dokters altijd dat ze zich daar altijd van bewust moeten zijn. Voor ons zijn het dan soms drie kamers naast elkaar. Voor hen bestaat er op dat moment maar één kamer.
Daarom kunnen nabestaanden zich jaren later nog een zin herinneren die een arts of verpleegkundige allang vergeten is. Soms is dat iets pijnlijks: een ongelukkige opmerking, een te haastig gesprek, de telefoon die ineens afging.
Maar soms herinneren ze zich juist iets heel kleins. Dat iemand ging zitten. Dat een verpleegkundige een extra deken voor de partner bracht. Dat een dokter nog even terugkwam. Ik denk dat we in de zorg zo vaak onderschatten hoe lang zulke momenten meegaan.
Rouw bestaat vaak ook uit herinneren. Uit eindeloos teruggaan naar die laatste dagen. Wat werd er gezegd? Had ik iets anders moeten doen? Had hij pijn? Wist hij dat ik er was?
En ergens tussen al die herinneringen bevinden zich ook de mensen die die dag toevallig dienst hadden. Een verpleegkundige, een arts, iemand die een kop koffie bracht of even bleef zitten. Voor ons vaak een klein moment, voor een nabestaande onderdeel van de herinnering aan die laatste dag. Ik kijk de vrouw aan.
‘Hoe gaat het nu met u?’
Ze haalt haar schouders op.
‘Wisselend.’
Daarna glimlacht ze. ‘Maar ik wilde u nog zeggen dat het toen heel fijn was dat u steeds terugkwam.’
We nemen afscheid. Zij loopt verder. Ik blijf nog even staan.
Zij zal die winterdag vorig jaar nooit vergeten. Natuurlijk niet.
Ik zal hem opnieuw vergeten. Dat is onvermijdelijk als je dit werk doet.
Maar sinds deze ontmoeting realiseer ik me hoe belangrijk juist de kleine dingen kunnen zijn. Nog even teruglopen naar een kamer. Even gaan zitten.
Voor mij waren het een paar minuten. Voor haar hoorde het bij de dag waarop alles voorgoed veranderde. Op zulke dagen blijft niets zomaar een detail.

