
De regenboog tegen een loodzware grijze achtergrond. Natuurkunde, ik weet het, maar door de timing werd het tovenarij.
Pas op de tweede dag heb ik het in de gaten: er zijn dichtregels te vinden langs de route, elke dag één. De regels vormen samen een gedicht: je wandelt het in vijf dagen bij elkaar, een poëtisch pelgrimspaspoort. Gisteren, tijdens de eerste etappe, wist ik dat nog niet. Stom. Ik had notabene vooraf een prachtig vormgegeven boekje opgestuurd gekregen namens de organisatie van de Walk of Grief, met mooie verhalen en allerlei informatie. Niet zorgvuldig gelezen, rommelig voorbereid, zoals dat wel vaker gaat tegenwoordig. Een rouwend brein, dat krijg je ervan. Maar inmiddels weet ik het, gisterenavond heb ik alles alsnog goed bestudeerd.
Zo komt het dat ik vandaag in de steeds hevigere regen een blanco bladzijde uit het boekje op een messing plaatje leg dat bovenop een paaltje langs het pad is bevestigd. Ik houd de bladzijde vast met mijn linkerhand, zodat ik er met mijn rechterhand overheen kan krassen met een potlood. Dit klinkt wat soepeler dan het gaat: er vallen dikke druppels op het papier, het waait, ik sta te hannesen, het duurt even voordat ik de pagina goed op het plaatje heb liggen. Maar het lukt. Ik zie letters tevoorschijn komen, ze staan in reliëf op dat plaatje, het krassen tovert ze op het papier. Wat mooi en goed bedacht. Die eerste gemiste regel ga ik ook nog halen, neem ik me voor. En dan niet bij de VVV op West-Terschelling (ook een optie), maar gewoon alsnog langs het pad. Ik berg het boekje gauw op in mijn rugzak, trek mijn capuchon over mijn muts en loop verder. Ik was gisteren al begonnen, maar nu ben ik echt op weg.
De Walk of Grief is een vijfdaagse pelgrimstocht op Terschelling. ‘Voor mensen die tijd en ruimte willen maken voor hun verlies’, zo valt te lezen in het boekje (wel echt lezen dus). Vijfenzeventig kilometer, langs duinen, bossen en stranden op grotendeels onverharde wegen. De tocht is uitgezet door eilandbewoners Arjan en Anemoon. Zij verloren hun zoon na een tragisch ongeluk. In hun voorwoord beschrijven ze hoe wandelen hen op den duur iets bracht: ‘De ene voet voor de andere zetten. Dan weer, en weer, totdat je merkt dat het vanzelf gaat. En misschien totdat je merkt dat het je wat lucht geeft’. Ze gingen op zoek naar een korte pelgrimsroute die zich specifiek richtte op rouw. Omdat ze die niet meteen vonden besloten ze om zelf een rouwpad te ontwikkelen. ‘En waar anders dan op Terschelling, een zandplaat die voortdurend verandert en waar eb en vloed komen en gaan?’
Verlies in je rugzak
In de afgelopen maanden maakten allerlei mensen uit mijn omgeving me attent op het pad. Over gehoord, gelezen, zelf gelopen. Misschien is het ook iets voor jou? Geen gekke gedachte. Terschelling was altijd heel erg ‘van ons’: we kwamen er graag en vaak. Ik en mijn allerliefste, die liefste die er sinds een tijd niet meer is. De eenzame boom op het Arjensduin, vlakbij de plek waar wij altijd een huisje huurden, is notabene het symbool van de tocht. We liepen er steevast even naar toe als we er weer eens waren, en tijdens mijn hardlooprondjes en onze fietstochten was de dappere boom vaak een geruststellend baken in de verte. Ja, die wandeltocht zou iets voor mij kunnen zijn.
Zodoende loop ik nu hier, een week voordat haar sterfdag voor het eerst opnieuw voorbijschuift. Vriendinnen lopen stukken met me mee, maar deze tweede etappe doe ik alleen. Na mijn eerdere pauze bij de dichtregel stop ik weer even, dit keer om mijn regenbroek aan te trekken. Het is intussen gaan hagelen, ik probeer zo te gaan staan dat het niet keihard in mijn gezicht striemt. Als ik goed in de broek zit loop ik verder: langs een bosrand, daarna een duintje op, naar beneden, en dan weer flink steil omhoog. Links van me is een diepe kuil, ik sjouw door, de hagel geeft ferme tikken op mijn hoofd, windvlagen rukken aan mijn jas. Nog een paar stappen. Dan sta ik bovenop het Koegelwiecksduin. Als ik vanaf die plek het schitterende lege landschap zie (zand, allerlei tinten groen en grijs) worden mijn wangen nat. En dat is niet vanwege de hagel, want die is plotseling opgehouden.
Zo blijft het de hele week: ruig weer, woest jagende donkergrijze wolken, wind, er valt van alles uit de hemel. Dan weer even rust, zon, blauwe lucht zelfs. En dan toch weer hagel, en daarna nog meer hagel. Ik kom in een ritme, samen met mijn vriendinnen. We lopen meestal zwijgend, soms met elkaar, soms ieder voor zich, want ik ben niet de enige met verlies in mijn rugzak.
Route van rituelen
Ik heb een thermosfles met hete thee, af en toe stoppen we even, dan gaan we in een duinpan zitten, of langs het pad, en dan schenk ik kleine glaasjes voor ons in. Behalve de dichtregels zijn er langs de route nog meer kleine rituelen te vinden: stuk voor stuk met zorg en aandacht bedacht, beschreven, neergezet, klaargelegd. In het Formerumerbos staat een eenzame stoel die je uitnodigt om even te gaan zitten. Bij een oude eendenkooi is een schrijftafel geplaatst, waar je een woord kunt achterlaten voor andere pelgrims en zelf een woord kunt meenemen. Het onvolprezen boekje wijst me ook op kunstwerken, monumenten, kleine kerkjes en oude begraafplaatsen. En ondertussen is het landschap zelf een voortdurend ritueel, waarin alles ritselt en knispert en raast en stil is, heen en weer beweegt, uitdijt en krimpt, verdwijnt en dan weer terugkomt. Uit zwartgeblakerde dode takken op het strand hout groeien dappere felgroene plantjes waarvan ik de naam niet meer weet. Een paar blaadjes troost, zomaar aan onze voeten.
Tijdens de derde etappe zijn er zeehonden: eerst een geschilderde versie, in het Drenkelingenhuisje op het Noordzeestrand. Met een meegenomen stift schrijf ik haar naam ernaast, het is zo ongeveer het enige plekje waar nog ruimte is, de houten muren van het huisje zijn bijna volledig bedekt met namen, jaartallen, hartenkreten en afscheidsteksten. Daarna zien we er eentje van vlees en bloed, in de verte, dapper ploeterend naar de zee. Die is een eind weg, het is eb. We blijven het zwoegende dier nakijken totdat hij de branding heeft bereikt en in de golven verdwijnt.
Op de laatste dag lopen we een heel eind over een wit strand, langs witte duinen. De hagel is blijven liggen, het is beeldschoon. We stoppen bij de strandpaal tegenover het strandpaviljoen bij West aan Zee. De paal staat met zijn voeten in een flinke plas water. Ik steek mijn handen erin, ik ben tenslotte een pelgrim en ook dit ritueel hoort erbij: wassen, afspoelen, opfrissen (vooral dat laatste lukt goed, het is ijskoud). Als ik daarna in sprongetjes een superhoog duin in de Noordsvaarder afdaal, ben ik als eerste beneden. Het allerlaatste stuk van de tocht lopen we soppend door de kwelders naar het Groene Strand. De wind, de stoerheid van het gebied, de stilte: het is allemaal adembenemend en het geeft tegelijkertijd zoveel lucht.
Die ene ontbrekende dichtregel hebben we er na de laatste etappe alsnog bij gewandeld. Vlak voordat we ‘m vonden zag ik in het duinlandschap twee hoorntjes afsteken tegen de inmiddels weer blauwe lucht. Een geit. En toen nog een, en nog een, en toen een heleboel. Een magisch beeld, mekkerend en met lange haren. We hadden de hele week al naar ze uitgekeken en plotseling waren ze er dan toch nog. Om ons uit te zwaaien, denk ik.
Rouwen met je voeten
Mijn liefste en ik praatten weleens over hoe het zou zijn als het straks echt zover zou zijn. We waren het eens: het wordt afschuwelijk, niet te doen, ronduit klote. Inmiddels kan ik bevestigen dat dat klopt. Stappen door de modder, gemene tikjes van hagel op mijn wangen, de kou door mijn handschoenen heen. Zo gaat dat dus, op een rouwpad. Maar deze tocht herinnert me ook af en toe aan wat zij me steevast op het hart drukte: dat het uiteindelijk ‘goed’ komt. Met mij, met alles. Omdat er altijd weer een nieuw seizoen is, omdat het leven zichzelf leeft, hoe dan ook. Dat dappere plantje in die dode tak. Die zeehond. Springend van een duin af en steeds weer landen op de grond. Geiten in blessuretijd. En die regenboog. Hij verscheen toen ik bovenop het Koegelwiecksduin stond: de hagelbui nam gas terug, de zon brak door. En daar was ie, een bijna volmaakte halve cirkelboog tegen een loodzware grijze wolkenachtergrond. Natuurkunde, ik weet het, maar door de timing werd het tovenarij.
Rouwen met je voeten, schreeuwen tegen de lucht, haar naam roepen, huilen, zeiknat worden, weer opdrogen, koesteren, iets vastpakken en dan weer loslaten of in je bewaarkistje doen, stilstaan, doorlopen, en ook: een hart onder de riem krijgen van een taxichauffeur, bokbiertjes drinken en garnalenkroketjes eten. Zo was het, deze week. Ik stop ‘m in mijn rugzak, die in de loop der dagen een beetje anders is gaan aanvoelen. Misschien niet eens lichter, maar wel wat losser om mijn schouders. Dat geeft me moed, voor het vervolg van mijn eigen Walk of Grief.

