
Foto: Daan van Oort
“Wanneer alle ervaringen er mogen zijn, spiegel je de heelheid in de ander.”
In de rubriek ‘Drie vragen aan…’ beantwoorden rouw- en verliesexperts drie vragen rondom verlies en rouw. In deze editie vertelt Ineke Visser, auteur en initiatiefnemer van het Landelijk Expertisecentrum Sterven, over levenseinde-ervaringen, over bewustzijnsverruiming, en over de fundamentele transformatie die plaats vindt in het stervensproces.
Houdt rouwen op?
Toen ik in 2003 startte met mijn eigen praktijk voor Afscheidsbegeleiding en Rouwverwerking werd al begrepen dat rouw geen opeenvolgende fases doorloopt, dat het een grillig proces is en rouwarbeid vergt. In plaats van fasen ging het over taken. In de jaren daarna werd het woord ‘rouwverwerking’ in de ban gedaan. Rouw, zo werd de opvatting, kun je niet verwerken maar verweef je in het leven. Komt er dan nooit een einde aan rouwen? Daarover lopen opvattingen wellicht uiteen.Ik doe zelf al geruime tijd niet meer aan individuele rouwbegeleiding en bemerk dat ik een zekere weerzin heb opgebouwd tegen de visie dat rouwen nooit ophoudt. Natuurlijk, op verwachte én onverwachte momenten in het leven, kunnen uiteenlopende gevoelens opkomen die samenhangen met het verlies van een geliefde. Maar is dat rouw? Benadrukken dat rouwen nooit ophoudt, houdt mensen vast in een verhaal, een verhaal dat soms door de tijd is ingehaald, een verhaal dat voor velen een andere klank, een andere betekenis heeft gekregen. Zo kunnen mensen door hun verdriet heen groeien, sensitiever en milder worden en met meer compassie in het leven komen te staan. Als we rouw zouden zien als een overgangsfase, een tussentijd, dan zien wij dat rouw verandert van kwaliteit, en dat het een opening biedt naar nieuwe mogelijkheden.
Wat mag er in de samenleving veranderen wat betreft de omgang met rouw en de dood?
In de afgelopen jaren is er in onze samenleving al veel veranderd als het gaat om de omgang met rouw. Zo is er sprake van een stevige groei in rouwbegeleidingspraktijk. Dat groeiende aanbod wordt erkend door opleidingen die hierop inspelen. Rouw is daarmee veel bespreekbaarder geworden. Het inzicht dat rouwen een uniek en persoonlijk proces is en het inzicht dat rouwen niet alleen gaat om het verlies van een dierbare aan de dood, worden algemeen aanvaard.
Voor de dood, en concreter voor het proces van sterven, ligt dat anders. Uit onderzoek dat ten grondslag lag aan de SIRE campagne ‘De dood. Praat erover. Niet eroverheen’ (2022) bleek dat 54% van de Nederlanders niet genoeg gesproken had over de dood met iemand die er nu niet meer is. Daardoor kon men niet goed afscheid nemen en hadden mensen spijt. Het verdriet hierover bemoeilijkte de rouw. Met deze campagne hoopte SIRE mensen stil te laten staan bij de waarde van het praten over de dood.
Praten over de dood echter is één, omgaan met sterven is nog iets heel anders. Als het om sterven gaat, mag er wat mij betreft nog veel veranderen. Er bestaat veel ongemak, verlegenheid en angst. Ik heb er mijn levenswerk van gemaakt om bij te dragen aan verruiming van ons bewustzijn over sterven, dat veel meer is dan een fysiologisch proces. Ik inspireer graag mensen die openstaan voor een volstrekt andere benadering. Een benadering die mij in elk geval heeft geholpen om iets te begrijpen van de fundamentele transformatie die in het sterven gebeurt. Dat heeft alles te maken met mijn achtergrond in de hospicewereld en het kleinschalig onderzoek naar ‘levenseinde-ervaringen’ dat ik voor Peter Fenwick (VK) uitvoerde in enkele Nederlandse hospices.
Hoe zouden we om moeten gaan met sterven en rouw?
Omgaan met sterven vraagt wat mij betreft om erkenning van de levenseinde-ervaringen waarnaar ik onderzoek deed. En, in het verlengde daarvan, het erkennen van bijzondere ervaringen die rouwenden kunnen hebben na verlies van een dierbare. Maar niet iedereen is bekend met dergelijke ervaringen.
Voorbeelden van levenseinde-ervaringen zijn visioenen van overleden dierbaren die de stervende lijken gerust te stellen, ervaringen van licht of terminale helderheid. Ervaringen die medisch gezien niet te verklaren zijn. Toch komen ze regelmatig voor. Een dochter vertelde mij: ‘Mijn moeder was al enkele dagen niet meer aanspreekbaar. Plotseling richtte zij zich op, keek mij en mijn zussen om beurten indringend aan, zakte terug in haar kussens en stierf. Dat moment vergeet ik mijn leven niet meer.’
Contact van nabestaanden met overleden dierbaren door onverwachte tekens of bezoekjes van gene zijde, maakte geen deel uit van het onderzoek naar levenseinde-ervaringen. Dat heeft vanzelfsprekend te maken met het onderzoek dat zich toespitste op ervaringen in de stervensfase. Andere onderzoeken hebben echter aangetoond dat 50 à 75% van mensen die rouwen melden dat zij de aanwezigheid van de overledene zien, horen of voelen. Zoals de vrouw die vertelde: “Ik lag wakker in bed en weet zeker dat ik mijn man naast mij hoorde ademen. Toen ik mij omdraaide lag hij er niet, maar het was echt heel echt. Ik vond het wel vreemd en een beetje eng.” Ze herhaalde nog een keer: “Ik heb het echt niet gedroomd.”
De ontmoetingen na de dood lijken altijd een helend effect te hebben omdat ze bijdragen aan een gevoel van verbondenheid met de overledene. Wanneer alle ervaringen er mogen zijn, wanneer niets wordt afgewezen, ook niet die ervaringen die je niet begrijpt, spiegel je de heelheid in de ander. Dat is waar de stervende maar ook wie in diepe rouw verkeert, mee gebaat is. Tenminste: dat is wat ik leerde in al die jaren dat ik me nu met sterven bezighoud.
