
Verdriet hoeft niet eerst ondraaglijk te worden voordat je er met iemand over mag praten.
“Het gaat wel, hoor.”
De vrouw met COPD die ik eenmaal per jaar op mijn spreekuur zie, reageert met een glimlach.
Ik heb haar gevraagd hoe het écht met haar gaat. Haar huisarts maakt zich zorgen en ik begrijp waarom als ik zie hoeveel ze is afgevallen. Het gewichtsverlies begon nadat haar man acht maanden geleden overleed. Ze waren bijna veertig jaar samen. Ze vertelt dat ze in huis nog niets van hem heeft opgeruimd. Zijn jas hangt nog gewoon aan de kapstok en zijn pantoffels liggen onder de bank. Ze kan het niet over haar hart verkrijgen ze weg te halen.
“De kinderen vinden dat ik het goed doe”, vertelt ze. “Ik ga weer naar de supermarkt, ik kook voor mezelf en vorige week ben ik zelfs naar een verjaardag geweest.”
“Maar ondertussen valt u wel heel veel kilo’s af.”
Ze kijkt even naar buiten. “Weet u wat het is, dokter? Als ik thuiskom, is het zo verschrikkelijk stil.”
Ik vraag of ze weleens met iemand over haar verdriet praat. Ze schudt haar hoofd. “Ach dokter, iedereen heeft zijn eigen zorgen. Ik wil mensen er niet steeds mee lastigvallen.”
Die woorden hoor ik vaker. Mensen die hun verdriet voor zichzelf houden omdat ze bang zijn anderen tot last te zijn. Omdat ze vinden dat het inmiddels beter zou moeten gaan. Of omdat ze denken dat niemand werkelijk kan begrijpen hoe het voelt.
Wie iemand verliest van wie hij houdt, verliest vaak veel meer dan alleen die persoon. De vanzelfsprekendheid van het dagelijks bestaan verdwijnt. De vertrouwde stem vanuit de keuken. Iemand die vraagt hoe je hebt geslapen. Iemand die jouw leven van dichtbij kent en met wie je zoveel herinneringen deelt.
De eerste weken na een overlijden is er meestal volop aandacht. Bloemen, kaarten, telefoontjes en mensen die aanbieden om te helpen. Maar daarna gaat het gewone leven verder. Collega’s praten weer over vakanties. Vrienden maken plannen. Alleen voor degene die rouwt, is dat gewone leven voorgoed veranderd.
Daar ligt volgens mij een van de grootste drempels om hulp te zoeken. Het gevoel dat verdriet steeds minder zichtbaar mag zijn naarmate de tijd verstrijkt. Alsof het gemis na een aantal maanden vanzelf kleiner zou moeten zijn geworden.
Sommige mensen durven hun verdriet daarom nauwelijks meer ter sprake te brengen. Anderen vinden dat ze het zelf moeten kunnen oplossen. Ze zijn hun hele leven sterk geweest, hebben voor anderen gezorgd en problemen zelfstandig aangepakt. Waarom zou dat nu anders moeten zijn?
Maar verdriet laat zich niet oplossen door een potje flink te zijn. En hulp zoeken betekent niet dat iemand niet goed kan rouwen.
De meeste mensen vinden met de tijd hun eigen weg in het verdriet, met steun van mensen om hen heen. Professionele hulp is lang niet altijd nodig. Maar soms raakt iemand zo vastgelopen dat het dagelijks leven nauwelijks meer lukt. Soms wordt de eenzaamheid ondraaglijk. Dan zou de stap naar ondersteuning vanzelfsprekend moeten zijn.
Toch is die stap voor veel mensen ontzettend groot.
Onze samenleving weet eigenlijk maar slecht raad met verdriet en rouw. We schieten al snel in de oplossingsstand, terwijl er vaak helemaal niets op te lossen valt. Dat zie je zelfs terug in onze taal. We zeggen dat iemand de draad weer moet oppakken, het verlies een plekje moet geven of verder moet met zijn leven. Goedbedoelde woorden, maar ze kunnen ook de indruk wekken dat verdriet iets is waar je op een gegeven moment klaar mee moet zijn. Terwijl iemand misschien vooral verlangt naar een plek waar hij even niet sterk hoeft te zijn.
Aan het einde van ons gesprek vraag ik de vrouw wat ze het meeste mist aan haar man. “Dat ik hem alles kon vertellen. Ook de onbelangrijke dingen.”
Dan begint ze te huilen. Ik laat haar vertellen. Over hun vakanties, hun kinderen en hoe hij altijd de krant op de verkeerde plek neerlegde. Even later moet ze lachen om haar eigen herinnering. Als ze weggaat, zegt ze dat ze het fijn vond om weer eens uitgebreid over hem te praten. “Dat durf ik bij mijn kinderen bijna niet meer.”
Ik denk vaak aan die opmerking. Misschien moeten we mensen die rouwen wat minder vaak vragen of het alweer een beetje gaat. En wat vaker vragen naar degene die ze missen. Niet alleen vlak na het overlijden, maar ook maanden of jaren later.
En misschien moeten we duidelijker maken dat steun zoeken geen teken van zwakte is. Dat verdriet niet eerst ondraaglijk hoeft te worden voordat je er met iemand over mag praten. Want rouw hoort bij het leven. Maar dat betekent nog niet dat je het alleen hoeft te dragen.
