
Dat de dood meer zichtbaar wordt, wil nog niet zeggen dat het makkelijker is geworden om er mee om te gaan.
In de rubriek ‘Drie vragen aan…’ beantwoorden rouw- en verliesexperts drie vragen rondom verlies en rouw. In deze editie Riet Fiddelaers-Jaspers, verlies en hechtingsdeskundige, over hechting in je brein, opgroeien in een rouwend nest, en over de ongemakkelijkheid die gepaard gaat met praten over de dood.
Waar gaat rouwen over?
We rouwen om waar we aan gehecht zijn. Zonder hechting geen rouw. Dat kan om kleine dingen gaan maar ook om betekenisvolle mensen of dingen. Soms merken we pas dat we ergens enorm aan gehecht zijn als het er niet meer is. Bijvoorbeeld als er een verandering in ons leven is en het even duurt voordat we eraan gewend zijn.
Maar als het om geliefden gaat, gaat die aanpassing niet zo snel. Wanneer we ons hechten aan iemand dan verandert dat ons brein voorgoed. Als die ander overlijdt dan is hij dus nog steeds aanwezig in je brein. Dat neurale spoor blijft en wordt heel langzaam wat minder. Je brein verwacht die geliefde nog steeds. Je kunt niet roepen ‘Hé Siri, mijn geliefde is er niet meer.’ Daarom denk je de auto van je overleden partner rond 17 uur op de oprit te horen, hoor je je overleden kindje huilen rond voedingstijd, of wil je naar je overleden moeder zwaaien als je met je hond langs haar huisje loopt.
En tegelijk weet je dat de ander er niet meer is. De overledene is zowel afwezig (in de realiteit) als voor altijd aanwezig (virtueel). Het lijkt dan onmogelijk dat iemand er niet meer is. Dus ga je zoeken: in appjes, in zakken van de kleding, voicemailberichten, of in briefjes die nog hier en daar liggen. Zoekgedrag is een normale rouwreactie. Hechting overstijgt de grenzen van de dood: de betekenis van en de verbinding met de overleden geliefde blijft.
Wat mag er in de samenleving veranderen wat betreft de omgang met de dood en rouw?
Toen ik me ging bezighouden met dood en rouw (rond 1990) was het nog een groot taboe. Maar dat veranderde snel. Er kwamen veranderingen in uitvaartrituelen, met meer aandacht voor de persoonlijke wensen van zowel degene die gaat overlijden als de nabestaanden. Uitvaart was nog het domein van mannen in zwarte pakken, maar al snel gingen meer vrouwen dit werk doen. Er kwamen programma’s op tv zoals ‘Over mijn lijk’. Bekende Nederlanders die de dood in de ogen keken vertelden hierover, zoals filosoof René Gude, René Klijn (bij Paul de Leeuw over Aids), snowboardkampioene Bibian Mentel, en Marcel de Hond. Daarmee doorbraken ze het taboe.
In interviews met bekende Nederlanders is het tegenwoordig gangbaar dat er naar de moeilijke momenten in hun leven wordt gevraagd, ook over hun ervaringen met ziekte en overlijden. Er zijn vele podcastseries over de dood en in speelfilms en series is de dood niet meer weg te denken. In Oogappels zit een veelbesproken sterfscene, de serie After Life op Netflix is populair, net als Six Feet Under. In NPODoc kun je vele documentaires over de dood vinden. Mijn favoriete film blijft de animatiefilm Father and Daugther van Michel Dudok de Wit, nog steeds op YouTube te vinden. En dan heb ik het nog niet over boeken gehad, literatuur maar ook non-fictie en games waarin de dood een grote rol speelt.
Dat alles helpt om de dood uit de schaduw te trekken. Maar dat de dood meer zichtbaar wordt, wil nog niet zeggen dat het in kleine en intieme kring makkelijker is geworden om er mee om te gaan. We blijven het moeilijk vinden zowel stervenden als nabestaanden actief op te zoeken, het blijft ongemakkelijk. Willen ze me wel zien? Wat moet ik zeggen? Hoe moet ik me gedragen? Dat zijn vragen die spelen.
Daarom blijft aandacht voor dood en rouw ‘doodnodig’. Het ongemak zal blijven, maar het is belangrijk dat we, onzeker en wel, de stap blijven zetten om in verbinding te gaan met mensen in onze omgeving die met afscheid te maken krijgen.
Wat heeft rouw met jou persoonlijk gedaan? Hoe neem je deze ervaring mee in je professionele leven?
Toen ik zes was overleed de oma naar wie ik vernoemd ben en twee jaar later mijn opa die naast ons woonde. Beide overlijdens hebben diepe indruk gemaakt. Mijn moeder die huilde om haar eigen moeder, mijn opa opgebaard te zien, en mijn andere oma zo alleen en verdrietig daarna. Ze bad elke avond als katholiek gelovige de rozenkrans en ik deed dan mee omdat ik haar zo zielig vond. Mijn moeder had haar jongste zusje van anderhalf verloren toen ze vijftien was, mijn vader werd geboren na twee overleden broertjes, hij werd de ‘tweede’ Jan.
Het tekende het leven van mijn ouders en zo werd ik als oudste geboren in een rouwend nest. Mijn moeder vond het lastig om er te zijn voor haar kinderen. Er werd zeker voor ons gezorgd maar mentaal was ze afwezig, haar ogen dwaalden aan mij voorbij. En hoewel ik snap waarom dat was, heeft dat veel invloed gehad op mijn leven. Ik leefde een echt ‘ik-los-het wel-alleen-op’ leven. Maar toen ik eenmaal begreep hoe mijn leven hierdoor gevormd was, werd vroegkinderlijk verlies (me niet welkom voelen) de kern van mijn werk en dat heeft me veel gegeven. Met mijn moeder heb ik het in de laatste fase van haar leven, toen ze dement was, in orde kunnen maken. Niet met woorden, maar wel in verbinding.

