
“Ik moet teren op herinneringen en foto’s. Er komen geen nieuwe meer bij.”
Een vlinder fladdert van blad naar blad, nooit in een rechte lijn, hij komt vaak onderweg iets anders tegen wat ook leuk of interessant lijkt. Die vlinder lijkt op jou. Ik wil dat jij m bent. Dat jij daar vliegt en dat ik je bijna kan aanraken.
Ik ben jaloers op mensen die hun overleden geliefden kunnen zien, voelen. Ik lees en hoor verhalen van mensen die nog gesprekken voeren met hun overleden geliefden. Die ze tegenkomen op onverwachte plekken, als een soort verschijning. Dat lijkt me zo fijn, dat je er dan ineens weer bent. Dat ik nog even van alles tegen je kan zeggen, je kan aanraken, even een knuffel geven. Nog even heel dichtbij je zijn.
Soms zoek ik je op plekken waar je graag was, waar we samen heen gingen. Ik zoek een glimp, een geur, een aanraking. Soms kan ik je bijna zien en ben je heel dichtbij, maar als ik je wil aanraken verdwijn je weer.
Ik moet vaak denken aan het feest in Zuid-Amerika waar ze de herinneringen aan de doden ophalen, de doden vieren – Dia de los muertes. Mensen maken altaren, eten samen, delen foto’s. Er is zelfs een Dia de los angelitos, dag van de engeltjes, overleden kinderen worden dan herdacht. De Pixar-film ‘Coco’ gaat over Dia de los muertes. Daar dreigt de beeltenis van de opa van de hoofdpersoon te verdwijnen omdat hij uit familieherinneringen verdwijnt. Daar moet ik soms aan denken, terwijl ik tegelijkertijd weet dat dat nooit gaat gebeuren. Maar voelen en weten zijn twee heel verschillende dingen.
Vergeet-angst
Ik ben bang dat mijn herinneringen steeds minder worden, afzwakken, vervagen en vervormen. Ik ben bang om te vergeten, hem te vergeten. Ik ben bang dat hij me elke dag een beetje meer ontglipt. Zijn blik, zijn geur. Dat ik niet meer weet hoe hij ruikt.
Dat laatste is soms best fijn in het geval van een puber met zweetvoeten. Maar zijn geur als hij versgewassen in z’n bed lag en we hem nog even welterusten kwamen zeggen. Een ritueel van de laatste weken, hij wilde ons zo dicht mogelijk bij zich hebben. Ik snuffelde nog even extra aan hem, kuste ‘m net een keer extra. Ik wilde m opsnuiven, alles in me opnemen. Ik probeerde vakjes te vinden in m’n hoofd waar ik die geuren, blikken, geluiden allemaal kan opslaan.
En nu kan dat niet meer. Ik moet het doen met die vakjes. En ik ben zo bang dat die vakjes vervagen, dat als ik ze opendoe om ernaar te kijken, aan te ruiken, dat ze dan verdwijnen, oplossen in de tijd. Ik draag z’n kleren om nog wat van ‘m op te snuiven, ga naar z’n kamer, haal m’n vinger over de LEGO-bouwwerken om het stof eraf te vegen. Alles om de vakjes weer te vullen.
Duizenden foto’s, filmpjes met geluid en herinneringen heb ik. Toch is dat niet hetzelfde als echt zijn stem horen, zijn blik zien, met die bruine ogen met z’n lange wimpers.
Nooit meer zal ik hem zien, vasthouden, voelen, ruiken.
Altijd blijft hij in mijn hart, mijn lijf, mijn gedachten.
Mijn hoofd snapt dat als ik het tegen mezelf zeg, maar mijn hart huilt.
Vlinderstruiken
We hadden al een paar vlinderstruiken in de tuin, veel bijen en vlinders weten ze te vinden. Ik wil zo graag dat jij ertussen fladdert, dat je in m’n oor fluistert, dat je lacht met me, praat met me. Deze vlinder kwam op m’n schouder zitten, ik ving ‘m in een foto op onze vlinderstruik in de tuin. Raakbaar dichtbij.
Natuurlijk weet en voel ik ook dat je nooit zult verdwijnen. Je blijft altijd in mijn hart, mijn gedachten en alle herinneringen. Maar ik weet ook dat mijn vergeet-angst klopt. Ik kan je niet meer voelen, ruiken, zien. Dus er zijn delen van jou die me gaan ontglippen. Ik moet teren op herinneringen en foto’s en er komen geen nieuwe meer bij.
Dus ik plant nog maar een paar nieuwe vlinderstruiken, scrol nog eens door mijn vele foto’s van jou, wandel langs je lievelingsplekken, zit op je bankje in het bos en denk aan je. Altijd en overal.
