
Hoe vaker je de dood tegenkomt, hoe beter je leert het niet weg te stoppen
In de rubriek ‘Drie vragen aan…’ beantwoorden rouw- en verliesexperts drie vragen rondom verlies en rouw. In deze editie Michel de Hond, rouwexpert en oprichter van Stichting Komma, over de kracht van verbinding, over de dood in de ogen kijken, en over telkens weer nieuwe betekenis geven aan rouw.
Houdt rouwen op?
Rouwen houdt denk ik nooit op. Tenminste, het ligt er maar net aan wat je onder rouw verstaat. Als iemand zegt: ‘ik ben in de rouw’, dan denk je vaak meteen aan verdriet, gemis of tranen. Maar is rouw per se verdriet? Of is het ook gewoon het stilstaan bij iemand die er niet meer is, het denken aan diegene, het herbeleven van een herinnering?
Voor mij is rouwen juist dat: het denken aan iemand die er niet meer is. En dat hoeft niet altijd pijnlijk te zijn. Rouw kan ook iets moois hebben. Soms denk ik terug aan een moment met iemand die er niet meer is en voel ik even dat warme gevoel van toen. Natuurlijk is er dat kleine steekje van gemis, het besef dat diegene er niet meer bij is, maar tegelijkertijd ben ik blij dat ik dat moment mag hebben.
Rouw verandert met de tijd. De ene keer voelt het zwaar, de andere keer zacht. Soms is het rauw verdriet, soms een glimlach. En omdat herinneringen niet verdwijnen, geloof ik dat rouwen ook nooit echt ophoudt. Het wordt alleen anders. Het krijgt andere kleuren en vormen. En misschien is dat ook wel de kracht van rouw, dat het mij blijft verbinden met de mensen die er niet meer zijn, op een manier die blijft groeien en mee verandert met mijn leven.
Waarom is praten over de dood zo moeilijk?
Zelf vind ik het niet moeilijk om over de dood te praten. Maar ik snap heel goed dat dat voor veel mensen anders is. Ik denk dat het ermee te maken heeft of je de dood in je leven bent tegengekomen of niet.
In mijn geval is dat wel zo. Mijn moeder overleed toen ik één jaar oud was. Mijn opa en oma, die heel belangrijk voor me waren, overleden toen ik twintig was, honderd dagen na elkaar. Ik heb een broertje verloren toen hij nog geen één jaar oud was en mijn broer Marc is overleden toen hij 42 was. Ook een neefje stierf jong. De dood is dus iets dat ik al van jongs af aan ken. En wat je kent, daar praat je makkelijker over.
Voor mensen die er weinig mee te maken hebben gehad, is het iets abstracts. Iets wat ver weg lijkt, of waar je bang voor kunt zijn. Want de dood is ook een groot vraagteken. Het dwingt je om na te denken over je eigen leven, over wat belangrijk is en over het verliezen van de mensen die je liefhebt. Dat maakt het confronterend.
Ik ben niet per se bang voor de dood, al wil ik natuurlijk ook gewoon graag nog lang blijven leven. Maar ik denk dat als je de dood een paar keer echt in de ogen hebt gekeken het minder eng wordt om over te praten. Het blijft verdrietig, maar het is niet meer onbekend. En misschien is dat het verschil: hoe vaker je het tegenkomt, hoe beter je leert om het niet weg te stoppen, maar er gewoon over te praten.
Waar heeft rouw jouw leven geraakt, en wat heeft jou geholpen?
Als ik kijk naar waar rouw mijn leven heeft geraakt, dan kom ik toch steeds weer als eerste uit bij mijn moeder. Zij overleed toen ik één jaar oud was. Heel lang had dat eigenlijk geen echte betekenis voor mij. Ik kende haar niet. Ze was een naam, een foto, een verhaal dat anderen over haar vertelden. Ik zag foto’s uit 1980, maar ik kon me geen beeld van haar vormen. Ze voelde ver weg, bijna als iemand uit een ander leven.
Dat veranderde toen ik ouder werd. Vooral toen ik zelf kinderen kreeg, begon ik me af te vragen wie zij was geweest en wat voor moeder zij zou zijn geweest. Toen ik Stichting Komma begon, kreeg ze ineens een plek in mijn leven die ze nooit eerder had gehad. Door de stichting en door wat we doen voor anderen, voel ik haar meer dan ooit.
Hetzelfde geldt voor mijn broer Marc, die vijf jaar geleden is overleden. Zijn dood en die van mijn moeder, zijn op een bepaalde manier het zaadje geweest voor wat ik nu doe. Dankzij Stichting Komma zijn ze er allebei toch nog een beetje bij. Hun verhalen vormen de reden waarom we dit werk doen, waarom we mensen helpen. En dat voelt voor mij als iets heel bijzonders, dat uit hun dood iets moois is ontstaan dat anderen kan raken of troost kan geven.
Ik draag nu een kettinkje dat van mijn moeder was. Mijn vader gaf het me op de dag dat ze 45 jaar geleden overleden was. Hij had het altijd om en nu draag ik het. Het is voor mij een stukje tastbare verbinding, dat me herinnert aan haar. Het voelt alsof ze via dat kettinkje dichter bij me is dan ooit.
Wat mij heeft geholpen in mijn rouw, is niet proberen het weg te duwen, maar er juist iets mee te doen. Er betekenis aan geven. Door Stichting Komma probeer ik hun gemis om te zetten in iets wat anderen kan helpen. En misschien is dat wel wat rouw uiteindelijk met je doet. Het leert je om liefde niet kwijt te raken, maar om het een nieuwe vorm te geven.

